nl fr
730A9339

Een melkkoe moet elk jaar 1 kalfje ter wereld brengen om melk te kunnen geven. De bevruchting vindt meestal plaats door kunstmatige inseminatie. De laatste 6 tot 8 weken van de zwangerschap wordt de koe niet meer gemolken. De uier kan zich dan herstellen van het 2 keer per dag melken.

Gemiddeld zijn melkkoeien na 4 of 5 jaar uitgemolken. Daarna worden ze geslacht voor het vlees. Het overgrote deel daarvan komt terecht in vleesproducten, zoals rundervinken, verse worst, gehakt en hamburgers. Een koe geeft ongeveer 21 liter melk per dag. De melkveehouder melkt koeien 2 keer per dag, 's morgens vroeg en in de namiddag. Dat gebeurt met een melkmachine. Voor het melken maakt de melkveehouder eerst de uier van de koe schoon. De melk gaat via leidingen rechtstreeks van de uier naar grote koeltanks.

Na het melken worden de melkstal, de ruimte waar de melktank staat en de melkleidingen schoongemaakt en gedesinfecteerd.

Melken kan ook gebeuren met melkrobots. Daarbij bepaalt de koe zelf wanneer ze gemolken wil worden. De koe loopt een ruimte binnen. Hier herkent een computer de koe, geeft het eten en ondertussen sluit een melkmachine zich automatisch aan op de uiers.

Verwerking van melk

De meeste koemelk gaat via de melkfabriek naar de consument. Een klein deel verweken boeren zelf tot boerenkaas en yoghurt. Daarnaast blijft er wat melk op de boerderij voor eigen gebruik, bijvoorbeeld voor de kalveren. Slechts 7% wordt als melk verkocht. Meer dan de helft van de melk is bedoelt voor het maken van kaas. Ruim 5% heeft als bestemming yoghurt en andere zuiveltoetjes.

In de fabriek

De zuivelfabriek haalt om de 3 dagen melk op met een tankauto. Het wordt gecontroleerd op resten diergeneesmiddel, de hoeveelheid bacteriën en het vet- en eiwitgehalte. Hoe hoger het vet- en eiwitgehalte, hoe hoger de prijs die de boer voor de melk krijgt.

De zuivelfabriek verwerkt de melk tot verschillende producten. Eerst pompen ze de melk in grote opslagtanks. Dan standaardiseren ze het vetgehalte. Standaardiseren houdt in dat een centrifuge het melkvet van de melk scheidt, waarna ze het vet weer toevoegen totdat het gewenste vetpercentage is bereikt. Zo krijg je volle, halfvolle of magere melk.

De melk wordt vervolgens gepasteuriseerd om de bacteriën te doden. Met een centrifuge worden soms nog meer bacteriën uit de melk gehaald. In de fabriek persen ze de melk door hele kleine openingetjes om zo de vetbolletjes in de melk kleiner te maken. Hierdoor lost het vet beter op. Dit heet homogeniseren. Dit zorgt ervoor dat het vet niet op de melk gaat drijven, het geeft de melk een vollere smaak en een wittere kleur.

De melk wordt vervolgens afgekoeld en in een gekoelde opslagtank bewaard. Het is nu klaar om verpakt te worden. Ook na verpakking blijft het gekoeld opgeslagen. Dagelijks worden de zuivelproducten bij distributiecentra gebracht, om vervolgens naar het verkooppunt te gaan.